Informatie over de Basset Hound

(bron: www.bassethound.be)

De Rasstandaard:

Hieronder volgt de rasstandaard van de Basset Hound zoals overeengekomen, tussen de 6 rasverenigingen en sub-commissie "Ras-standaard en Stamboek" van het comité van de Kennel Club, op een vergadering gehouden op 18-09-1985.

Algemene kenmerken:

Een laagbenige hound van aanzienlijke substantie, evenwichtig gebouwd en met veel adel. Een matig losse huid is wenselijk.

Karaktereigenschappen:

Taaie, vasthoudende hound van zeer oude afkomst die jaagt op de neus met een meute-instinkt, een diepe melodieuze stem en een groot uithoudingsvermogen in
het veld.

Temperament:

Rustig, nooit agressief of terughoudend. Aanhankelijk.

Hoofd en schedel:

Gewelfd met een lichte stop en een opvallende achterhoofdsknobbel (occiput); 
matig breed over het voorhoofd en naar de snuit toe licht smaller wordend. Het algemene voorkomen van de snuit is slank, doch niet spits. De bovenlijn van de snuit en die van de schedel, van stop tot occiput, lopen nagenoeg evenwijdig. Er kunnen lichte rinpels voorkomen op het voorhoofd en naast de ogen. In ieder geval moet de hoofdhuid zo los zijn dat, als de huis naar voren getrokken of het hoofd voorover gebogen wordt er duidelijk rimpels onstaan. De bovenlippen vallen ruim over de onderlippen heen. De neus geheel zwart, behalve bij licht gekleurde honden waar de neus bruin of leverkleurig mag zijn. De neusvleugels zijn wijd geopend en mogen iets voorbij de bovenlippen uitsteken.

Ogen:

Ruitvormig, noch uitpuilend (bol) noch te diep liggend, donker van kleur, maar mogen middelbruin zijn bij licht gekleurde honden. De uitdrukking is ernstig en kalm. Het bindvlies van het onderste ooglid is zichtbaar doch niet overdreven. Lichte of gele ogen zijn zeer ongewenst.

Oren:

Laag aangezet, juist onder de ooglijn. Lang, reikend tot ruim voorbij de snuit, van juiste lengte maar niet overdreven, smal over de gehele lengte en goed naar binnen draaiend, zeer soepel, dun en fluwelig.

Gebit:

Sterke kaken met een perfekt regelmatig en compleet scharend gebit, d.w.z. de voortanden boven overlappen krap de voortanden onder en staan recht in de kaken.

Hals:

Gespierd, goed gebogen en vrij lang met uitgesproken, zij het niet overdreven wam (keelhuid).

Voorhand:

Goed naar achter liggende schouderbladen, schouders mogen niet beladen zijn. Voorbenen kort, krachtig en zwaar van bot, de ellebogen noch naar binnen noch naar buiten uitdraaiend, maar goed aanliggend tegen de zijden. Frontaal gezien: de onderarm licht naar binnen gebogen maar niet zodanig dat de vrije beweging wordt belemmerd of de voorbenen elkaar raken wanneer de hound staat of loopt, de voorborst krap passend in de gebogen voorbenen. Overknuckelen is hoogst ongewenst. Huidrimpels op de onderbenen.

Romp:

Lang en diep over de gehele lengte. Het borstbeen is opvallend, maar de borstkas noch nauw noch onnodig diep. Goed geronde wijdstaande ribben zonder dat ze uitsteken en goed naar achteren doorlopend. De rug is tamelijk breed en horizontaal met schoft en achterhand op ongeveer dezelfde hoogte alhoewel  de rug ter hoogte van de lendenen licht gebogen mag zijn. De rug van schoft tot inzet van de achterhand (croup) niet te lang.

Achterhand:

Zwaar gespierd en goed gerond, van achteren gezien moet de hound een rond aanzien hebben (appelvormig). De knieën moeten goed gehoekt zijn. De hielen zo laag mogelijk bij de grond en iets ondergebogen maar niet naar binnen of naar buiten gedraaid en juist onder het lichaam geplaatst in natuurlijke stand. Tussen hiel en voet kunnen rimpels voorkomen en aan het hielgewricht een huidzakje, gevormd door de losse huid.

Voeten:

De voeten zijn massaal met goed gekromde tenen (katvoeten) en van stevige voetzolen voorzien. De voorvoeten mogen recht naar voren staan of iets naar buiten gedraaid maar in ieder geval moet de hond zuiver recht staan, het gewicht gelijkmatig gedragen door de tenen met aangesloten voetzolen, zodat de afdruk van de voet gelijk is aan die van een grote hond en buiten de voetzolen geen deel van de voet de grond raakt.

Staart:

Goed aangezet, d.w.z. bij de aanzet duidelijk het  verlengde van de ruggegraat vormend, tamelijk lang, dik aan de basis en spits toelopend met een matig grove beharing aan de onderkant. Als de hond loopt wordt de staart goed omhoog gedragen, licht gebogen (sabelvormig), echter nooit in een krul of vrolijk.

Gangwerk:

Het gangwerk is uiterst belangrijk. Een soepele gang, waarbij de benen goed uitgrijpen en de achterbenen een krachtig stuwende beweging vertonen en de hound zowel voor als achter recht gaat. Hielgewrichten en knieën mogen niet stijf zijn in de beweging en de tenen mogen niet slepen.

Vacht en beharing:

Glad, kort en dicht zonder fijn te zijn. Het algehele aanzicht van de vacht is glad en vrij van pluimen. Een langharige zachte gepluimde vacht is zeer ongewenst.

Kleur:

Meestal driekleurig, d.w.z. zwart, wit en bruin of rood en wit (tweekleurig), maar iedere erkende hound-kleur is toegestaan.

Schoft:

33 tot 38 cm.

Fouten:

Iedere afwijking van bovenstaande moet als fout worden aangemerkt en de beoordeling van de ernst van de fout moet in verhouding staan tot de mate waarin de fout zich voordoet.

Opmerking:

Reuen moeten twee duidelijke normale testikels hebben, die volledig in het scrotum zijn ingedaald.

Oorsprong:

De Basset Hound is aan het einde van de vorige eeuw als ras erkend. De Hound stamt af van andere deels uitgestorven laagbenige jachthonden, zoals die in het Europa van de zestiende eeuw al bekend waren. (het franse woord "bas" betekent laag). Tijdens de Franse revolutie zijn vele van deze oude rassen jachthonden verdwenen, omdat de adellijke grootgrondbezitters die de kennels en meuten bezaten werden vervolgd. Het is te danken aan een tweetal Franse fokkers, die na deze woelige tijden uit de restanten van Franse bassets in het midden van de vorige eeuw, de basis legden voor de huidige rassen van Franse en Engelse Bassets.
De Engelsen, die omstreeks 1860 op een franse hondententoonstelling kennis maakten met deze in ere herstelde jachtenhonden, waren zo verrukt van deze hounds, dat ze de Basset importeerde in Engeland en verder fokten. De basis bleek al ras te smal en degeneratie dreigde. Het is de zeer bekwame fokker Millias geweest, die nieuw bloed invoerde door de kruising met de bloedhond. Het resultaat van deze kruising is de huidige Basset Hound. Vanuit Engeland zwermde de Basset Hound over de hele wereld. Alhoewel kleine verschillen in de loop de tijden optraden tussen de op de verschillende continenten gefokte Basset Hounds is de standaard zeer stabiel gebleken. In Nederland werd de Basset omstreeks de jaren dertig geïntroduceerd en is hij, zij het op bescheiden schaal, een gevierde huisgenoot.

Gebruik en eigenschappen:

De Basset Hound behoort tot de groep van lopende honden of brakken. Dat wil zeggen, dat hij bij de jacht werd gebruikt op klein wild, als konijnen, hazen, vossen e.d. Hij dreef daarbij zelfstandig in meuteverband het wild op en bracht het voor het geweer van de jager. Door de bouw van de Basset Hound ontwikkelt hij een tempo, waaraan het wild zich aanpast en de jager in staat stelt te voet vaak door onbegaanbaar terrein, de meute te volgen. Om de jager te laten weten, waar de meute en het wild zich bevinden in laag struikgewas en bos, jagen de Hounds onder luid geblaf ("hals geven"). Dit type jacht kon lang duren, vandaar de naam "parforce" en stelde hoge eisen aan het uithoudingsvermogen van de Basset Hound, dat in een woord enorm genoemd kan worden. Naast deze jacht werd de Basset Hound ingezet voor het opsporen van aangeschoten dieren ("ziekgeschoten"). Met hun geweldige verfijnde neus, die wellicht slechts door die van een bloedhond wordt overtroffen, volgde hij het bloedspoor ("zweet") van de gewonde dieren. Ook thans nog worden bij wijze van sport "luid op spoor"- en "zweetspoorproeven" beoefend. In Nederland wordt dit in zeer beperkte mate gedaan, omdat wij nu eenmaal onvoldoende geschikte terreinen hebben om een spoor met "kunstbloed" uit te zetten.Voor het behalen van de kampioenschappen in bepaalde, ons omringende landen,  is zelfs het succesvol afleggen van deze een voorwaarde. In Nederland is de Basset Hound dus meer een gezelschapshond, waarbij u echter rekening moet houden met deze oorspronkelijke gebruikseigenschappen.

Karakter en gedrag van de Basset Hound:

Onder het fraaie uiterlijk van de Basset Hound met zijn waardige blik en melodieuze stem, die hij nooit overmatig gebruikt, gaat een hart schuil, dat de ware passie voor de jacht nog bezit. Als meutehond heeft hij van huis uit een sociaal gevoel, dat in zijn gedrag in het gezin tot uitdrukking komt. Hij neemt graag deel aan de gezellige dingen in het gezin. Hij is lief, rustig en aanhankelijk; plezierig en verdraagzaam in de omgang met kinderen en ondanks zijn misschien wat treurige blik altijd goed gemutst. Hij is trouw en verstandig. Daarenboven heeft hij in het algemeen een sterk gestel en behoeft geen overdreven verzorging. U moet echter wel een paar dingen in de gaten houden, die te maken hebben met dat oude erfgoed van zijn werkende voorvaderen, wat hij nog niet heeft vergeten. Aan gehoorzaamheid en opvoeding zult u consequent vanaf de prille puppytijd veel aandacht moeten besteden, meer dan bijv. bij een herder of aanstaande jachthond. Hij verwacht dat ook van u, die hij als meuteleider ziet. Door dat meutegevoel kan hij ook wat slecht tegen lang alleen zijn, op een gegeven moment zal hij dat met veel gevoel voor theater en publiciteit kenbaar maken. Uw buren zullen dat wellicht niet op prijs stellen. De Basset Hound beschikt nog steeds over een neus van uitzonderlijke kwaliteit die hem in staat stelt alle eetbare dingen feilloos te registreren en het tot zich te eigenen. Buiten zal hij door diezelfde neus plotseling een aantrekkelijk geurspoor ontdekken, hij zal u op dat moment wel eens kunnen vergeten en op avontuur gaan. De Basset Hound is daarom ook minder geschikt voor de grote stad en evenmin, door zijn grote behoefte aan beweging, voor een kleine flat, zeker als hij moet traplopen, waarvoor hij niet gebouwd is.

De Verzorging:

De Basset Hound heeft een kortharige vacht, die met een regelmatige, liefst dagelijkse borstelbeurt in goede conditie kan worden gehouden. Als hij vuil en nat is geworden, is eenvoudig droogwrijven de beste remedie. Als "all weather hound" is een bad slechts in noodgevallen aan te bevelen. De ogen, oren en het gebit dienen regelmatig te worden nagekeken en schoongemaakt. Via de dierenarts zijn daarvoor middelen te verkrijgen.